|
Boekbespreking - Anugita
De Anugita na 51 eeuwen vertaald
De 17e op de 18e februari 3102 v.Chr. was voor de mensheid een
dramatisch moment. In die middernachtelijke uren eindigde dwaparayuga,
een tijdperk van 864.000 jaar, en begon kaliyuga, het ‘ijzeren
tijdperk’: een cyclus van 432.000 jaar waarin de zuigkracht
van het niet-essentiële op zijn sterkst is. Gezegd wordt dat
juist in kaliyuga de mogelijkheden tot geestelijke groei het
grootst zijn, en iedere innerlijke overwinning duizend maal
meer effect heeft. Juist in het hart van kaliyuga ontkiemen
de zaden van de meest verlichte yuga.
De Bhagavadgita – een tweegesprek in het Mahabharata tussen Arjuna
en Krishna – speelt zich af vlak voor het doek valt en de schakel
met dwaparayuga definitief wordt verbroken. In de enkele uren
die nog resten worden ter overdenking 18 richtlijnen voor het
dagelijks leven aangereikt, om zo de mensheid veilig door de
eerste periode van kaliyuga heen te loodsen.
Nu, na 51 eeuwen, is de eerste vertaling in het Nederlands uitgebracht
van de Anugita, het boek dat op de Bhagavadgita volgt. Om onduidelijke
redenen heeft het nooit veel aandacht gekregen, terwijl het
van minstens zo diepzinnige aard is.
In de Anugita wordt het gesprek tussen Arjuna (het lerende, zich
ontwikkelende zelf in ons) en Krishna (het hoogste Zelf) voortgezet.
Arjuna is alles vergeten wat in de Gita is gezegd: ‘O, alles
wat u uit genegenheid voor mij verklaarde, is geheel uit mijn
ontaarde geest verdwenen.’
Vervolgens herhaalt Krishna in nieuwe bewoordingen en vanuit een nieuwe
gezichtshoek dezelfde oude waarheden, maar nu vanuit het jnana-yoga
standpunt, de weg van kennis en inzicht. Een van de thema’s
in het boek is dat, welke hoogten van kennis men ook verwerft
en in welke gelukzalige toestand men ook na het sterven komt,
we toch weer zullen moeten terugkeren en incarneren in deze
stoffelijke wereld, tot we alle illusies hebben overwonnen.
Zoals het in de Anugita wordt verwoord: ‘Overmand door lust
en woede, en overweldigd door verlangen, kwam ik terecht in
onaangename en ellendige omstandigheden. Keer op keer stierf
ik en steeds werd ik weer opnieuw geboren. Ik at vele soorten
voedsel en dronk aan diverse borsten, en had een veelheid aan
vaders en moeders, elk met een eigen karakter; en ik beleefde
vreemde genoegens en onvoorstelbare vormen van lijden. Geregeld
leed ik door te worden gescheiden van wie ik hield en te worden
verbonden met om wie ik niet gaf. Ook moest ik ervaren: verlies
van rijkdom, van wat ik met moeite had vergaard; de droeve smaad
van prinsen zowel als van familie; en extreme en schrijnende
pijn, zowel mentaal als lichamelijk. Ik onderging ook afschuwelijke
vernederingen, stierf gewelddadige doden en belandde in gevangenissen;
eenmaal viel ik in de hel en onderging de martelingen in het
verblijf van Yama, de god van de doden. Vele malen ging ik gebukt
onder ouderdom, chronische kwalen en talloze tegenslagen, voortvloeiende
uit de paren van tegengestelden. Toen, op zekere dag, toen ik
diep door smart werd gekweld, liet ik uiteindelijk mijn gehele
wereldse leven achter mij en werd onverschillig voor aardse
zaken, en ik nam mijn toevlucht tot het vertrouwen dat mijn
wezen identiek is aan Brahman. Na van dit pad te hebben vernomen
oefende ik mij erin, en daarna heb ik door de gunst van de atman
(het Zelf) deze volmaaktheid verkregen.’
15 Hoofdstukken van de Anugita bestaan uit een lang gesprek tussen
een brahmaan en zijn echtgenote over de betekenis van de zintuigen
en hun relatie tot manas (zelfbewustzijn/denk-vermogen)
en buddhi (het spirituele of Hogere Zelf). Zo zegt
manas tegen de zintuigen: ‘de neus kan zonder mij niets ruiken,
de tong niets proeven, het oog niets zien, en de huid wordt
zonder mij geen enkel object gewaar. Zonder mij hoort het oor
niet één geluid. Te midden van al de zintuigen ben ik de eeuwige
leider. Zonder mij zouden de zintuigen nooit tot expressie komen,
en als een lege woning zijn.’
De zintuigen antwoorden daarop: ‘wat u zegt zou inderdaad waar
zijn indien u ook zonder ons de genietingen zou kunnen ervaren
die voortvloeien uit de objecten waarop wij ons richten; indien
er, wanneer wij er niet meer zouden zijn, toch plezier is en
een basis voor het leven en u toch nog genoegens beleeft.’
Vervolgens wordt zeer uitgebreid ingegaan op de vijf prana’s of levensstromen,
op hun onderlinge verhouding, en op hun functies in relatie
tot de ademhaling, de spraak, de spijsvertering, de excretie,
en de instandhouding, de afbraak en de dood van het lichaam.
De echtgenote van de brahmaan zegt enkele malen dat ze geen erg
helder verstand heeft en niet zo intelligent is. Niettemin stelt
ze vragen die getuigen van grote intuïtie en wijsheid. Als Arjuna
aan het eind de vraag stelt: ‘Waar bevinden zich nu die vrouw
van de brahmaan en deze hoogste van de brahmanen, door wier
beiden de volmaking werd bereikt?’ dan antwoord Krishna: ‘Weet
dat mijn manas de brahmaan is, en mijn buddhi de vrouw van de brahmaan.’
Vervolgens worden 17 hoofdstukken gewijd aan de ontmoeting tussen de grote
rishi’s en het hoogste Brahman. Ingegaan wordt o.a. op de drie
hoedanigheden ‘satva’, ‘rajas’ en ‘tamas’. De bespreking van
dit weergaloze werk sluiten we af met een uitspraak van Brahman
die zegt: ‘De weg naar de eeuwige schoot van Brahman is tweevoudig:
ze is het volhardend verwerven van kennis, en ze is juist handelen.
Aldus zeggen zij die weten.’
De Anugita, vertaling drs. Rudi Jansma, Uitgeverij Ankh-Hermes,
184 blz., index, gebonden, €19,50, ISBN 9020219634
drs. Reinout Spaink
maart 2004
|